St. Museum Canadian Allied Forces 1940-1945 |
| Veel van de legervoertuigen die tot op de dag van vandaag gevonden kunnen worden in boerenschuren,
op sloperijen of gewoon ergens in de natuur staan te verwilderen, zijn er uitsluitend nog omdat zij na de oorlog
een civiele functie konden vervullen. Vooral de Amerikaanse legers lieten na de oorlog enorme hoeveelheden rijdend
materieel achter. Het was simpelweg niet de moeite waard deze mee terug te nemen. De landen in Europa daarentegen
zaten economisch aan de grond met een vaak verwoeste infrastructuur en ontbrekend burgerbestuur.
De overtollige wapens en gevechtsvoertuigen gingen voor het merendeel over naar de Europese bondgenoten die
daarmee hun politie en leger opbouwden. Voor het merendeel, want direct na de oorlog was er in heel Europa een
bloeiende zwarte markt in vrijwel alles. En zo kon het gebeuren dat douaniers ineens tegenover smokkelaars in
snelle pantserauto's kwamen te staan. |

Cletrac airfield tractor uit 1941 |

Verpleegsters van een veldhospitaal in Frankrijk.
Augustus 1944 |
De talloze ondersteunende voertuigen zoals vrachtwagens, trekkers, jeeps, ambulances, bulldozers,
kranen, en wat al niet meer, vonden hun weg naar allerlei civiele bedrijven in veelal de transportsector. Maar ook
de agrarische sector was een grote en dankbare afnemer. Al deze voertuigen waren specifiek ontworpen om onder
zware omstandigheden hun werk te doen en kwamen dus uitstekend van pas.
In de collectie zijn de ondersteunende voertuigen sterk vertegenwoordigd. Aan de ene kant omdat dat zo door
het aanbod wordt bepaald; vaak zijn dit de 'overlevers' die een na-oorlogse civiele carrriere van tientallen jaren
achter de rug hebben. Aan de andere kant om een ontwikkeling aanschouwelijk te maken die sinds de mechanisering
van de legers steeds belangrijker werd. |
| Dat is de 'tooth-to-tail' ratio: de verhouding tussen gevechtstroepen (tooth) en ondersteunde
troepen (tail). Oftewel: om één gevechtseenheid in het veld te houden zijn hoeveel ondersteunende eenheden nodig?
Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog (1861-65) was die verhouding 9:1. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog - de
eerste volledig gemechaniseerde oorlog - was dat al teruggevallen naar 1:1.
De rol van de ondersteunende troepen - transport, medische dienst, staf, communicatie, administratie,
technische dienst - was door de mechanisering van de strijdkrachten alleen maar belangrijker geworden. Zonder deze
eenheden zou een mobiele oorlog onmogelijk zijn. |

GMC's op de Ledo Road van India naar Birma |

Een limber - munitiekar - gered van de sloper |
Door de deelname van de voertuigen aan allerlei historische evenementen, werd het nodig uit te
breiden met uniformen en uitrustingsstukken van de soldaten die deze voertuigen gebruikten. Na de ingebruikname
van het eerste museumpand aan de Beckerweg groeide de bekendheid van de collectie. Steeds vaker wisten mensen uit
Groningen en omstreken de heer Ates te vinden. De collectie bevat een groeiend aantal militaria die afkomstig zijn
uit de regio.
Ook bleef het wagenpark groeien. Via collega-verzamelaars, oldtimer-beurzen en evenementen kwam menig
legervoertuig naar de Beckerweg met soms een na-oorlogse exemplaar, die na restauratie dan weer geruild of
verkocht werd. Maar ook de zomervakanties door heel Europa leverden vaak weer nieuwe restauratie-projecten op. |
|
Tot op de dag van vandaag vormen de voertuigen de kern van de collectie, maar is die langzamerhand veel breder
en gevarieerder geworden. De collectie omvat authentieke oorlogszaken als uniformen, uitrustingsstukken, wapens en
bodemvondsten, maar ook gewone alledaagse zaken als kranten en tijdschriften, voedselbonnen, fietsen en natuurlijk
de beruchte knijpkat.
In 2006 was de collectie zo omvangrijk dat moeiteloos een museum met een vloeroppervlak van 3000 m² gevuld
kon worden. Na de ingebruikname van het nieuwe onderkomen aan de Ulgersmaweg in 2008 werd ook die missie vervuld.
Ook in de toekomst zal het museum bijzondere aandacht blijven besteden aan de Canadese troepen die Groningen
hebben bevrijd. Maar tegelijkertijd heeft het museum haar horizon verbreed naar de andere oorlogstonelen met o.a.
een Afrika-scène en een Brits vliegveld inclusief vliegtuig en luchtdoelgeschut.
Wanneer u door het museum loopt waant u zich terug in de tijd. De diorama's geven een realistisch en getrouw
beeld van scènes zoals die zich destijds hebben afgespeeld. Even uniek als de collectie, is de manier waarop u er
kennis van kunt nemen. Er staat altijd een medewerker klaar om eventuele vragen te beantwoorden. |

Avro Anson van Observer Corps |
|